Laten we er (g)één wedstrijd van maken

Wie heeft het mooiste geknutseld en wie heeft de mooiste hoed op? Wie is het snelst en wie het best? Wie is er het mooist verkleed en wie maakt de mooiste carnavalswagen? Wie vindt het gouden ei? En wie het mooist danst mag…..

 

Regelmatig wordt bij activiteiten voor kinderen een wedstrijdelement ingevoegd, vaak om kinderen te motiveren en enthousiasmeren. Dit wedstrijdelement zit in vele sportactiviteiten en gezelschapsspelletjes, maar is ook vaak terug te vinden bij spelletjes op kinderfeestjes, bij activiteiten op school en zelfs in de les zijn er elementen van competitie terug te vinden, bijvoorbeeld in opmerkingen als “Wie het eerst klaar is mag het bord uitvegen” of doordat er bijvoorbeeld groot op het bord staat geschreven wie de tafels al beheerst of wie zijn veters al kan strikken (en dan is dus ook heel duidelijk wie nog niet). Wat zijn de effecten van inzetten van competitie op kinderen en heeft het ook ongewenste effecten?

Een wedstrijdje kan heel leuk en spannend zijn, bijvoorbeeld het meedoen aan een klassenstrijd waarbij de ene klas tegen de andere strijd, dit kan de samenwerking en saamhorigheid in de klas versterken. Neveneffect is wel dat de klas zich kan distantiëren van de andere klas en dat er leerlingen in de klas kunnen zijn die zelf ervaren dat zij slechter zijn dan de klasgenoten of juist door klasgenoten als ‘een blok aan het been’ worden ervaren. Het meedoen aan een sportwedstrijd bij de sportclub kan ook een mooie ervaring zijn voor kinderen, mits ze op groei gerichte wijze worden gestimuleerd (dus op inzet, in plaats van op resultaat). Ook het doen van gezelschapsspelletjes is zeer leerzaam voor kinderen, naast het samen hebben van plezier,  leren ze zich houden aan regels, ontwikkelen ze inzichtelijke en tactische vaardigheden en leren ze omgaan met winnen en verliezen.

Echter door veelvuldig en op een verkeerde manier een competitie te organiseren creëer je een competitieve sfeer tussen de kinderen. Zeker als het draait om het verwerven van een (im)materiële beloning. Bij een competitie ligt vaak de nadruk op winnen en verliezen. De winnaar, die is het best, de verliezer is het slechts. De winnaar wordt beloond, de verliezer ervaart een vorm van straf, namelijk het niet krijgen van de beloning. Competitie is in feite een vorm van (geaccepteerde) agressie, want winnen gaat ten koste van je tegenstander. Om te winnen moet je zorgen dat je beter bent dan de ander. Hierdoor zijn kinderen minder loyaal naar elkaar en minder geneigd elkaar te helpen. Wanneer bijvoorbeeld degene die zijn sommen het snelst af heeft het bord uit mag vegen, zullen kinderen gefocust zijn op hun eigen werk en niet bereid zijn de ander te gaan helpen. Bovendien spreek je hierdoor alleen de betere leerlingen aan. Kinderen die nog niet zo goed zijn in rekenen raken hierdoor teleurgesteld en ontmoedigd. Het is een bevestiging dat ze niet zo goed zijn als sommige andere kinderen.

Ook is de kans groot dat het kind door het gebruik van competitie niet kijkt naar zijn inzet, wat hij heeft gedaan, wat hij er van vond en waar zijn groeipunten liggen, maar naar het resultaat: ik heb niet gewonnen, ik ben hier niet goed genoeg in. Deze resultaatgerichte, extrinsieke motivatie vergroot het risico dat kinderen een statische mindset ontwikkelen. Kinderen met een statistische mindset zijn alleen gericht op het resultaat. In plaats van doen wat je zelf leuk vindt en daarom ergens in willen groeien en waarderen wat je doet ongeacht het resultaat, draait bij hun alles om de winst en het beter zijn dan anderen. Als je faalt, verliest en/of blijkt niet de beste te zijn is alle moeite tevergeefs geweest (Dweck, 2011).

Wie het mooist heeft geknutseld, getekend of is verkleed is smaakgerelateerd. De uitkomst van een competitie hierover zal afhangen van degene die de winnaar mag aanwijzen. Zaak om hier zeer zorgvuldig en terughoudend mee om te gaan, want hoe kan je bijvoorbeeld nou één kind aanwijzen die het mooist verkleed is? De een houdt van superhelden, de ander van prinsessen en weer een ander gaat liever als kabouter of clown. Naast dat de ene ouder meer geld en energie er aan besteedt dan de andere ouder, kan je je ten zeerste afvragen of er één bepaalde smaak beter is dan alle andere. We leren kinderen op deze manier dat ze zich moeten conformeren aan de smaak, de voorkeur, het ideaalbeeld van anderen en nemen hen hun eigenheid af. In plaats van dat ze steeds beter weten wat ze zelf mooi vinden, worden ze steeds gerichter op het oordeel van anderen en durven steeds lastiger op hun eigen mening te vertrouwen. Het resultaat van wedstrijdjes rond smaakgerelateerde onderwerpen is dan ook vaak onzekerheid en een verminderd zelfvertrouwen.

Kinderen hebben geen competitie nodig. Juist door samenwerking leert een kind hoe hij voor zichzelf kan opkomen en hoe hij zijn doelen kan bereiken. Ook gaan kinderen die opgroeien in een coöperatieve omgeving met veel meer respect voor anderen om en hebben zij meer zelfvertrouwen. Competitie kan daarnaast ook nogal eens leiden tot lichamelijke klachten, als hoofdpijn, rugpijn en maagklachten en gevoelens van rivaliteit, gespannenheid, achterdocht en vijandigheid nemen toe (Faber & Mazlish, 2011).

Kortom, het verkeerd en veelvuldig inzetten van competitie, thuis maar zeker ook op school, maakt kinderen onzeker, ze gaan zich sterk vergelijken met anderen, het vergroot de rivaliteit en het maakt kinderen minder loyaal naar elkaar (als je een ander helpt dan loop je het risico dat de ander beter wordt dan jou), maakt kinderen gevoelig voor sociale druk, schaadt de eigenheid van het kind en kan leiden tot lichamelijke en psychische klachten. Natuurlijk kan je best eens een wedstrijdje organiseren, maar het is dan wel heel belangrijk dat kinderen er zelf voor kunnen kiezen of ze wel of niet meedoen. Veel competitieve activiteiten zijn ook gemakkelijk om te zetten naar coöperatieve of groeigerichte activiteiten. Wie vindt het gouden paasei kan dan bijvoorbeeld worden: “Lukt het jullie samen om alle verstopte eitjes te vinden? en Wie is het snelst wordt dan: “Lukt het jou om je persoonlijke record te verbeteren?”

 

Ik ben heel benieuwd hoe jij tegen dit onderwerp aankijkt, hoe jij hier mee om gaat en waar jij tegenaan loopt. Reageer gerust door hieronder een berichtje achter te laten of mail je reactie of vragen naar info@vrijopgroeien.nl

 

 

 

Voor dit artikel heb ik onder ander gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

Faber, A & Maslish, E. (2011) How2Talk2Kids, broers en zussen zonder rivaliteit. 

Dweck, C. (2017) Mindset, de weg naar een succesvol leven. Amsterdam: SWP

Mol, J. (2011) Opgroeien in vertrouwen. Amsterdam: SWP

 

 

 

One Comment

  1. Jana

    Mooi blog met goede onderbouwing! Ik heb mijn leven lang een hekel aan wedstrijd. We proberen er nu thuis bewust mee om te gaan. Bijvoorbeeld: Bij memory maakt niet idereen zijn eigen stapel om na het spelletje te kijken wie de meeste kaartjes heeft maar leggen we de paren gelijk op 1 stapel. Met regels gaan we vaak soepel om en we veranderen ook regels wel eens (wel met zijn allen afspreken hoe en wat voor de duidelijkheid ) omdat we vinden dat het leuker is en we het plezier belangrijker vinden. Ook de paaseieren gaan nu allemaal in 1 mand tijdens het zoeken en wordt alles achteraf eerlijk gedeeld:)
    Het ‘wedstrijd element’ is ‘oude energie’ en niet van de nieuwe tijd 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *